Behoud van vruchtbaarheid bij een kankerdiagnose

Ovariumweefsel invriezen (cryopreservatie)

Vrouwen en meisjes die een behandeling tegen kanker ondergaan, lopen risico op verlies van eierstokfunctie en vruchtbaarheid. Chemotherapie en bestraling kunnen de voorraad eicellen aantasten, wat kan leiden tot een verminderde vruchtbaarheid of vervroegde menopauze. De leeftijd waarop de behandeling plaatsvindt speelt een grote rol: hoe ouder de vrouw, hoe kleiner de eicelvoorraad en hoe groter de kans dat haar menstruatie stopt na de therapie. Ook jonge meisjes die vóór de puberteit behandeld worden, maken soms toch de puberteit door, maar raken daarna vervroegd in de overgang. Voor artsen is het vaak moeilijk te voorspellen hoe zwaar de behandeling de eierstokken zal aantasten.

Om de kans op biologisch eigen kinderen te behouden, kan worden gekozen voor het invriezen van eierstokweefsel vóór de behandeling. Dit proces vereist een kijkoperatie, tenzij er al een buikoperatie gepland is. Omdat de impact van kankertherapie op de eierstokken moeilijk in te schatten is, wordt invriezen vooral geadviseerd wanneer verwacht wordt dat de eierstokfunctie volledig zal verdwijnen. Dit wordt enkel aangeboden als de behandeling gericht is op genezing. Gewoonlijk wordt één eierstok verwijderd – het andere wordt behouden voor eventuele restfunctie. De buitenste laag van het eierstokweefsel (met rustende follikels) wordt in plakjes van enkele millimeters ingevroren en in vloeibare stikstof bewaard.

De klinische toepassing van ingevroren eierstokweefsel staat nog in de kinderschoenen. Terugplaatsing wordt vooral overwogen bij een actieve kinderwens én als de overgebleven eierstok niet meer functioneert. Voor het opvangen van een hormoontekort wordt hormoontherapie geadviseerd in plaats van terugplaatsing. Waar het weefsel precies in het lichaam moet worden teruggeplaatst, is nog onderwerp van onderzoek. De buik lijkt logisch, maar door eerdere ingrepen is spontane zwangerschap mogelijk minder kansrijk. Bovendien kan het betekenen dat herhaalde operaties nodig zijn.

Er wordt ook geëxperimenteerd met alternatieve locaties zoals de huid bij de schouder of de liesstreek. In één geval werd een eicel verkregen uit weefsel dat in de arm was geplaatst, waarna IVF werd geprobeerd, maar zonder resultaat. Onderzoekers onderzoeken ook het rijpen van menselijke eicellen in muizen (xenomaturatie) of het volledig in vitro laten rijpen van eicellen uit bevroren weefsel. Dit laatste proces, dat tot een jaar kan duren, is technisch nog niet haalbaar.

Alleen meisjes en vrouwen onder de 25 jaar komen momenteel in aanmerking voor dit invriesproces, omdat zij meestal nog over een grote eicelvoorraad beschikken – hoewel na invriezen, ontdooien en transplantatie ongeveer de helft daarvan verloren gaat. Vrouwen met een latere kinderwens geven het medisch onderzoek daarmee de tijd om de beste toepassing van dit weefsel te ontwikkelen.

Invriezen van sperma (cryopreservatie van semen)

Waar vroeger de overlevingskansen van jonge mannen met kanker veel lager lagen, overleeft nu een aanzienlijk deel door verbeterde behandelingen. Al tientallen jaren bestaat de mogelijkheid sperma in te vriezen, maar werd dit lang niet altijd standaard aangeboden. Bij onvoldoende kwaliteit van het sperma werd het invriesproces vaak achterwege gelaten, vanwege verlies van levensvatbaarheid na ontdooien.

Dankzij technieken zoals IVF, ICSI en IUI kunnen mannen nu ook met minder goed sperma toch kinderen krijgen.

Het bespreekbaar maken van spermacryopreservatie kort na een kankerdiagnose is lastig. De diagnose is vaak net bekend en patiënten maken zich vooral zorgen over hun overlevingskansen – niet over vaderschap. Toch is het belangrijk dit snel te bespreken, idealiter vóór aanvang van chemo- of radiotherapie. De patiënt wordt gevraagd meerdere spermamonsters in te leveren met een pauze van enkele dagen ertussen. Vanwege de ziekte kan de kwaliteit al verminderd zijn. Voor invriezen wordt getest op infectieziekten zoals hepatitis B en HIV. Helaas hebben ongeveer 1 op de 7 mannen geen zaadcellen in het sperma.

De kwaliteit van het sperma na ontdooien hangt sterk samen met de oorspronkelijke kwaliteit.

Na de kankerbehandeling komt de zaadproductie bij 20 tot 50% van de mannen weer op gang. Dit hangt samen met de soort kanker (bijvoorbeeld testiskanker herstelt minder goed dan lymfekanker) en de intensiteit van de therapie. Veel mannen hebben hun ingevroren sperma daardoor uiteindelijk niet nodig.

Slechts een klein percentage (minder dan 10%) van het opgeslagen sperma wordt daadwerkelijk gebruikt. Redenen hiervoor zijn divers: herstel van de natuurlijke productie, overlijden, het ontbreken van kinderwens, of angst voor terugkeer van de ziekte.

Omdat vooraf niet te voorspellen is wie herstelt, wordt geadviseerd alle mannelijke patiënten deze optie aan te bieden. In andere landen wordt vaak contractueel vastgelegd wat er met het sperma moet gebeuren bij overlijden – vernietiging of overdracht aan een partner. In Nederland bestaat hierover nog discussie. Gebruikt ingevroren sperma heeft geen verhoogde kans op aangeboren afwijkingen aangetoond.

Medicamenteuze bescherming van eierstokken

Vrouwen in hun vruchtbare levensfase die chemotherapie ondergaan voor een kwaadaardige aandoening, hebben 40–70% kans om vervroegd in de overgang te komen.

Uit studies blijkt dat meisjes vóór de puberteit minder risico lopen omdat hun eierstokken zich nog in rusttoestand bevinden. Hieruit ontstond het idee om volwassen vrouwen tijdens chemotherapie kunstmatig in een vergelijkbare rustfase te brengen.

Dit wordt bereikt door het hormoon GnRH-analoog gelijktijdig met de chemotherapie toe te dienen. Dit hormoon, normaal in kleine hoeveelheden door de hersenen geproduceerd, stimuleert de hypofyse, die op haar beurt eierstokken aanstuurt. Als GnRH-analoog in hoge dosering wordt gegeven, blokkeert dit het systeem tijdelijk, waardoor de eierstokken ‘slapen’, met als gevolg: geen eisprong en sterk verminderde oestrogeenproductie.

GnRH-analogen worden via injecties onder de huid toegediend, maandelijks of driemaandelijks. Bijwerkingen zijn vergelijkbaar met overgangsklachten: opvliegers, nachtzweten, botverlies en pijn bij gemeenschap. Deze effecten kunnen verzacht worden door gelijktijdig gebruik van oestrogeen-progestageen combinaties, zoals de pil. Zo wordt botverlies voorkomen en blijft de bescherming van de eierstokken behouden.

In een Israëlische studie bleken 50% van de vrouwen zonder bescherming vervroegd in de overgang te komen, tegenover slechts 1 van de 30 vrouwen die tijdens hun behandeling ook GnRH-analoog kregen. Verdere studies zijn nodig om deze hoopgevende resultaten te bevestigen.